Einde Vlaams Belang

(verschenen in De Groene Amsterdammer)

Het Vlaams Belang, weet u nog? De partij die, toen het nog Vlaams Blok heette, dingen riep als ‘Eigen volk eerst!’, pleitte voor ‘de terugkeer van de niet-­Europese vreemdelingen’ en de groot­ste werd van Vlaanderen twee maanden nadat het was veroordeeld voor racisme. Vandaag, zeven jaar later, is daar weinig meer van over.

De kiezers hadden de partij al eerder de rug toe­ gekeerd. De verkiezingen die volgden maakten een einde aan dertig jaar onafgebroken groei en degradeerden de partij tot middenmoter. En nu doen de leden hetzelfde. Elke week is er wel een lokale mandataris die zegt de partij te hebben verlaten. De helft van de partijtop is inmiddels opgestapt, inclusief de oud­-voorzitter, de zoon van de oprichter en de fractieleider in de senaat.

‘Dissidentie is eigen aan een partij die het op een bepaald moment wat minder goed doet’, zegt Filip Dewinter, het gezicht van de partij. Vlaggetjes van de Geconfedereerde Staten van Amerika sieren de schoorsteenmantel in zijn studeerkamer. Op de salontafel ligt de biografie van Wilders. ‘Dan zijn er al snel mensen die denken dat ze het allemaal beter weten.’

De harde hand van Dewinter is de oorzaak van de onvrede. Het is híj die de Vlaamse onafhankelijkheidspartij keerde tegen de gastarbeiders, de vreemdelingen, de immigran­ten en nu de moslims. Het is hij die de stemmen binnenhaalt met kreten als ‘Waar is de poen van uw pensioen? Het zit in de pocket van Moham­med!’ Het is hij die al twintig jaar fractievoorzit­ter is en welbeschouwd de enige echte leider van het Vlaams Belang.

‘Het zijn slachtoffers van het cordon sanitaire’, zegt hij over de verlaters. ‘Het zijn mensen die niet bestand zijn tegen de permanente druk van buitenaf. Een partij als de onze wordt uitgesloten en uitgescholden. Maar het cordon breek je niet door inhoudelijke toegevingen te doen.’

Hoe dat dan wel te doen blijft onduidelijk, maar lijkt ook niet de eerste prioriteit van Dewinter. ‘Onze plek nu is aan de zijlijn. Onze rol is die van zweeppartij. Daar is niks oneerbaars aan. We houden vast aan onze principes.’

Het Vlaams Belang is het Vlaams Belang niet meer. Het is niet meer de partij die politiek Vlaanderen – en België – in gijzeling houdt. Die rol is overgenomen door de meer beschaafde nationalisten van de Nieuw­-Vlaamse Alliantie, de nieuwe grootste partij van het land.

Londen en Brussel zijn niet zo verschillend

(verschenen in De Groene Amsterdammer)

Brussel – Een lange, dunne jongen met felroze haar en ongewone schoenen keek wat bangig om zich heen toen de barman van café De Walvis hem de weg wees naar de dichtstbijzijnde pinautomaat: de brug over. ‘De brug over?’ zei hij en tuurde nog eens naar de overkant voordat hij weer ging zitten. ‘Aha.’

Het café ligt aan de goede kant van het kanaal dat de stad verdeelt tussen arm en rijk en wordt gefrequenteerd door hippe Vlamingen en andere wereldburgers. De overkant heet Sint-Jans-Molenbeek en is een andere wereld, een wereld van minder welvarende migranten en hun kinderen. De marktlui zijn er op deze zondagmiddag in volle ramadan aan het opruimen. Een eenzame journalist is er de enige witte.

De jongen met het roze haar moest het nieuws ook gehoord hebben. Daags na het uitbreken van de rellen in Londen vlogen ook hier de stenen door de lucht. Er was brand uitgebroken in een bakkerij en de ordediensten hadden moeite de ramptoeristen op afstand te houden. Het was verre van een tweede Tottenham, maar genoeg voor velen om de vergelijking te maken, onder wie de burgemeester van Molenbeek en de minister van Buitenlandse Zaken.

Londen en Brussel zijn niet zo verschillend. Londen heeft de City, Brussel de EU. De twee strijden om de eer van de hoogst opgeleide arbeidsmarkt van Europa – en om die van de grootste sociale ongelijkheid. Grote groepen laagopgeleide jongeren vinden er geen werk.

Nabil, een jonge Brusselaar met Marokkaanse ouders, heeft wel werk. Als technicus bij het lokale buurtcentrum, gevonden via een overheidsinstelling. Hij heeft zijn middelbare school niet afgemaakt, net als veel van zijn buurtgenoten. ‘Diploma of geen diploma, het maakt niet uit’, zegt hij. ‘Er is weinig werk en veel discriminatie. Misschien niet eens op huidskleur, maar wel op postcode.’ Onderzoek geeft hem gelijk. Een inwoner van buurten als Molenbeek heeft twee keer minder kans op werk dan iemand anders met dezelfde ervaring. Ook hoogopgeleiden.

Anders dan in Londen liggen de getto’s van Brussel in het centrum van de stad. Het is niet de eerste keer dat er opstootjes zijn tussen jongeren en politie. Tot nu toe zijn die altijd binnen de perken gebleven. Maar als er niks verandert, komt er een dag dat er een steen het kanaal over vliegt en op het terras van De Walvis belandt.

 

Afrikaanse hoeders van Belgisch trappistenbier

(verschenen in De Groene Amsterdammer)

Het beste bier ter wereld, de Trappist Westvleteren Twaalf – donkerbruin, 10,2% alcohol – koop je niet in de winkel of het café, maar in de Sint-Sixtusabdij in West-Vlaanderen, aan de Franse grens ten oosten van Duinkerken, en enkel na reservering. De “biertelefoon” van de abdij is maar een paar uur per week bereikbaar en zelfs dan voortdurend in gesprek. “U bent niet de enige,” waarschuwt de website. “Het is een kwestie van veel geduld en veel geluk.” En een kwestie van snel zijn, zo lijkt het, want misschien is het er straks niet meer.

Geluk en geduld voordat je er zoéén kunt proeven...

De monniken van Westvleteren zijn trappisten, een katholieke kloosterorde genoemd naar de oude abdij van La Trappe, in Frankrijk, die zich in de 17e eeuw toelegde op de strikte naleving van de Benedictijnse regels: stilte, nederigheid en handenarbeid – nu niet meteen de kernwaarden van de wereld vier eeuwen later. De meeste West-Europese broeders hebben de profane pensioenleeftijd al lang bereikt.

“Er zijn nog maar erg weinig nieuwe intredes in België en Nederland,” zegt Danny van Tricht, hoofdredacteur van Trappistbier Beleven. Het is daar dat de enige zeven officiële trappistenbrouwerijen staan (Achel, Chimay, Orval, Rochefort, Westmalle en Westvleteren in België; La Trappe – genoemd naar de oude Franse abdij – in Nederland, in de gemeente Tilburg). “Maar daar staat tegenover dat er wel nog een heleboel intredes zijn op bijvoorbeeld het Afrikaanse continent. En veel van die monniken belanden in Europese kloosters.”

Zij komen vaak van zusterabdijen, zo leert een korte belronde, in de eerste plaats voor opleiding. Sommigen blijven plakken. Vier van de vijftien broeders van Chimay zijn niet-Europees. Westmalle heeft één vaste zwarte broeder. Komen zij ons nu redden van de teloorgang van het trappistbier? “Dat is overdreven,” zegt van Tricht. “Maar ik zie wel regelmatig gekleurde monniken verschijnen in de diverse kloosters.”

De trappisten zelf zijn niet zo bezorgd om de toekomst van hun bier. La Trappe in Nederland heeft de laatste tien jaar zelfs meer intredes gehad dan in de vijftig jaar daarvoor, zegt Abt Bernardus. Hij spreekt van een “spiritualiteitshoos,” die niet noodzakelijk iets met godsdienst te maken heeft. “Mensen zullen altijd op zoek zijn naar rust,” zegt hij. “Zeker in deze tijd.”

Er komen zelfs twee nieuwe brouwerijen bij – één in Frankrijk en één in Nederland, in Zundert. “Trappistbrouwerijen zijn uitgegroeid tot bloeiende ondernemingen,” zegt Van Tricht, “die voor heel wat tewerkstelling zorgen. Die vinden wel een manier om te overleven.” Het bier zal dan alleen misschien geen trappist meer mogen heten. “Maar tenslotte is het de kwaliteit die er toe doet, niet het labeltje dat erop kleeft.”

Wij bestaan, nous existons

(verschenen in De Groene Amsterdammer)

België heeft nog steeds geen regering en Brussel is blut. In de hoofdstad van Europa groeit de kloof tussen arm en rijk en is het centrum een banlieue geworden.

WIE AANKOMT op station Brussel-Zuid, niet ver van het centrum van de stad, knooppunt van internationale treinverbindingen als Eurostar, Thalys, ICE of TGV, heeft niet meteen de indruk de hoofdstad van de rijkste politieke unie ter wereld te betreden. De louche aankomsthal met zijn lage plafond en witte kunstlicht, de ellendig lange rijen, treinkaartjes als vliegtickets, of de ‘automatische verdeler van vervoerbewijzen’, een grote grijze bak die niets accepteert behalve de lokale bankkaart en die net als de pinautomaat – totdat die kort geleden werd vervangen – lijkt te stammen uit het tijdperk van de floppy: het is eerder Oost-Berlijn, dertig jaar geleden. (more…)

Franse ratten, rolt uw matten

(verschenen in De Groene Amsterdammer)

Meneer de Mol, een klein, oud mannetje uit Brussel, stond er wat eenzaam bij zondagmiddag op het grasveld voor het gemeentehuis van Kraainem, een soort Wassenaar aan de rand van de stad. De zon scheen. Hij droeg een geel polohemd en een zwart-gele paraplu met daarboven een Vlaams vlaggetje. ‘Vlaanderen is leuk’, stond op de zwarte vlakken van het regenscherm; Vlaamse leeuwen stonden op de gele.

Meneer de Mol uit Brussel (c) Philip Ebels

Hij was komen protesteren, zei hij in het Frans, na zich ervoor te hebben verontschuldigd het Vlaams niet machtig te zijn, tegen een demonstratie van het FDF, een partij voor Franstaligen en traditioneel anti-Vlaams. ‘Het was vroeger in Brussel verboden om Vlaams te spreken’, zei hij. ‘Ik ben een Vlaming, maar het Franstalige nazi-regime heeft me verfranst.’

De Mobiele Eenheid had meneer de Mol blijkbaar niet opgemerkt. Het grasveld was hermetisch afgesloten en omringd door een vijftigtal vlaggenzwaaiende tegendemonstranten. ‘Franse ratten, rolt uw matten!’ schreeuwden ze door megafoons richting podium en publiek – een van de meer geliefde leuzen van hun militante voorvaderen. Rotjes, rookbommen en eieren vlogen dezelfde kant op. ‘Cyaankali voor het FDF!’

Voorpost gooit met eieren (c) Philip Ebels

Warempel: Hollandse stemmen. ‘Dit is Nederlandse grond’, zei er een, die samen met zijn maten van Voorpost – dat zich inzet voor een groot en wit Nederland – met de bus uit Rotterdam naar hier was gekomen om zich te verdedigen tegen het Franstalige imperialisme. ‘Nederlanders en Vlamingen spreken dezelfde taal’, zei hij. ‘We zijn één volk, we hebben één en dezelfde afkomst.’ Een ander op een onbewaakt moment: ‘Kraainem blank!’

Het Franstalige publiek stond erbij, keek ernaar en probeerde zich een onbezorgde houding aan te meten, blij met de ordediensten. Hun geroddel sprak niks dan minachting voor het ongewassen tuig achter de barricade. Een man in rode Dockers riep zijn dochtertje bij zich – Eloïse! – toen zij er net iets te dicht bij in de buurt was geraakt.

Het stille protest van meneer de Mol was een toonbeeld van zelfbeheersing vergeleken met de meute. Hij wilde er niks mee te maken hebben – ‘te extreem’ – maar kon de woede wel begrijpen: ‘Het is moeilijk te overschatten hoeveel haat er bestaat aan beide kanten. Veel media zeggen dat alles goed gaat, maar zij zijn hypocriet. Het gaat helemaal niet goed. Het is als Israël en Palestina. Het wordt echt een burgeroorlog als er niks verandert.’

videoverslag van Voorpost:

videoverslag van RTL-TVI:

Bruxelles, ciment et facteur de division du pays

(paru dans Le Courrier International)

Si la Belgique existe encore, c’est grâce à Bruxelles. Et s’il n’y a pas de gouvernement, un an après les élections, c’est à cause de Bruxelles. C’est elle, la capitale partagée, qui tout à la fois tient le pays ensemble et le divise.

Elle est le moteur économique du pays. C’est là où se trouve le dixième de la population, le cinquième de la richesse et le sixième de l’emploi. Les Flamands la voient comme une terre perdue — confisquée même. Pour les Wallons, elle est un allié francophone contre une majorité flamande.

Bruxelles est une ville en or, mais qui ne brille pas. L’inégalité y est manifestement plus grande qu’ailleurs. Un Bruxellois sur cinq — et surtout un jeune sur trois, voire un sur deux dans certains quartiers — est sans travail.

La population explose. La ville est surpeuplée. Sa banlieue est chère et située en Flandre, où, désormais, il devient impératif de connaître le néerlandais. Contrairement aux autres villes européennes, les quartiers pauvres de Bruxelles se trouvent dans le centre. “C’est une bombe à retardement”, disent les chercheurs.

Il faut faire quelque chose de et pour Bruxelles, tout le monde est d’accord. Mais quoi exactement? Les Belges semblent diamétralement opposés.

Les partis flamands autour de la table des négociations souhaitent une forme de tutelle partagée. Les Wallons, eux, demandent l’élargissement du territoire bruxellois.

Pour les uns comme pour les autres, chaque position est inacceptable. Aussi, personne ne bouge. Personne n’y croit encore. Cela fait un an et peut durer encore longtemps. De nouvelles élections aboutiraient au même résultat.

D’ailleurs, les Belges ne s’énervent guère. Ils ne se révoltent pas parce que tout va bien, même sans gouvernement fédéral. Des gouvernements, ils en ont déjà cinq, alors…

Les Belges ne s’énervent guère, sauf à Bruxelles. Les Bruxellois, eux, en ont assez d’être le jouet d’un monde politique qui leur semble de plus en plus lointain. Plus de la moitié d’entre eux ont des racines étrangères. Un quart n’est pas belge.

L’impasse dans laquelle ils se trouvent pourrait les forcer à prendre leur destin en main. Ce n’est pas encore le printemps bruxellois, mais, si ça continue, on ne sait jamais.

Blame the chubby nationalist

(first appeared on openDemocracy.org)

On the evening of Sunday 13 June 2010, Bart de Wever was dressed the way he always dresses: dark grey suit, white shirt, no tie, his hair parted like a catholic schoolboy’s – an image much accentuated by his round, butterball figure – as he stepped into a teaming, flag-waving crowd in a conference hall somewhere in Brussels, Belgium, to the thumping of I Got A Feeling (That Tonight’s Gonna Be A Good Night) by the Black Eyed Peas.

Bart de Wever, leader of the Flemish nationalists. "Nil volentibus arduum."

It was election night and De Wever had won. Three years earlier, his New Flemish Alliance (N-VA), who believe northern, Dutch-speaking Flanders should be independent from southern, French-speaking Wallonia, was deemed hardly viable. Today, it was about to become the biggest in the country as final results were coming in. “Nil volentibus arduum,” De Wever announced after climbing the podium, arms raised in the air. “Nothing is impossible, if you really want to.”

Nothing, if not forming a government. Or the people charged with doing so must not really want to. For after one whole year of fierce negotiations – a Guiness World Record – it is hard to imagine that they ever will.

De Wever is an easy target. Aside from his looks (he once admitted to having the appearance of a dead fish), his politics are less than fashionable. He’s a separatist. Not the romantic kind who goes off to fight forces of oppression, but, in the eyes of his opponents, the selfish leader of a rich majority turning its back on the rest of the country. He is socially conservative and economically neoliberal. And, most importantly, he’s a nationalist. Flemish nationalism has always had a whiff of the nasty kind. It collaborated with the German occupation. Many Flemish young men volunteered to fight at the Eastern Front.

But contrary to what some might have you believe, De Wever is no nazi. Nor is he similar to today’s xenophobic populists like Le Pen, Bossi, Wilders or Dewinter, the leader of the neo-fascist Flemish Interest, whose ancestor, Flemish Block, has been convicted of racism. He is, in his own words, an “inclusive nationalist,” who believes that “every individual can become a member of our community, on the condition that he respects a number of basic rules of our democracy and community values.”

One of those values is the use of the Flemish language, a variety of Dutch, whose historical emancipation from francophone rule has been long and laborious. Still today, francophone Belgians, including federal ministers, hardly speak any Flemish. The government negotiations are being held in French.

De Wever might be no Braveheart, he does seem to consider himself something of a freedom fighter. He taxied his party into the European Free Alliance, a political group in the European Parliament for the self-determination of stateless peoples, including the Republican Left of Catalonia and the Scottish National Party. Its current chairman is a member of the N-VA.

Yet independence, De Wever is always eager to emphasize, is not his immediate objective. He believes in evolution, he says, not revolution. He is after a next, big step in the constant devolution of power that is the history of Belgium. Its structures are outdated, he says, and don’t correspond anymore to the reality of two separate democracies, each with its own specific problems, preferences, politics and public opinion. He likes to quote EU Trade Commissioner Karel de Gught of the Flemish liberals, who said that “Belgium is in fact a never-ending diplomatic conference.”

The Flemish demand more autonomy; the francophones resist. It has always been that way, ever since Belgium was created in 1830 as a unitary, francophone state, and in the end it has always resulted in some sort of agreement. Until now.

The francophones have had enough. They used to fear a loss of power; today they fear a loss of money. Their economy is still recovering from the decline of the heavy industries that once made Belgium the second most industrialised country in the world – after Great Britain. They wallow in outrage at the preposterous proposals on the table. What is to them a far-reaching state reform is to the Flemish a drop in the ocean. The differences are simply too big.

It is easy to blame De Wever, the chubby nationalist, for failing to form a government. His opponents unanimously do. But it is also wrong. The divide is as broad as it is wide. Socialists, liberals and christian-democrats alike find themselves diametrically opposed to their political counterparts when it comes to state reform. De Wever only forces them to calibrate.

An agreement is as likely as Belgium winning the World Cup. That, if anything, fosters frustration among the Flemish and reaffirms the assertion of De Wever that Belgium doesn’t work anymore. The only alternative are new elections. Those, according to polls, would only polarise even more. De Wever would would amass more than a third of Flemish voters. He might, then, want to choose his victory cry more wisely.

De slag om Brussel

(verschenen in De Groene Amsterdammer)

De Vlamingen van Brussel zijn als de Joden van New York, vindt de oud-directeur van de Brusselse poptempel Ancienne Belgique, of zouden dat moeten zijn: een sterk aanwezige minderheid die “een leidende kracht is in de stad”, op weg naar grootsheid.

Vijf tot vijftien procent van de inwoners van Brussel is Vlaming, afhankelijk van wie je vraagt. Veel van hen zijn nieuwe Brusselaars – de oude zijn of Frans gaan spreken of zijn vertrokken – en hebben zich de laatste jaren een leuk hoekje weten toe te bedelen in het centrum van de stad. De stereotiepe Dansaert-Vlaming, genoemd naar de straat waar hij woont, is film-regisseur, cellist of grafisch ontwerper en leeft, onder andere, van de gulle cultuursubsidies van de Vlaamse overheid.

Die voert sinds een paar jaar actief campagne om, in hun eigen woorden, “de Vlaamse aanwezigheid in Brussel te versterken.” Folders, brochures en websites als woneninbrussel.be (“Word wakker in Brussel!”) en brukselbinnenstebuiten.be (“Brussel is rauw en fantastisch.”) moeten de weerspannige Vlaming overtuigen om de grote sprong te wagen naar de in zijn ogen vaak vuile, lelijke, onveilige en, bovenal, Franstalige hoofdstad. Hij kan zich inschrijven voor een woontour, een rondleiding van €3 door een wijk naar keuze met huisbezoeken, een broodjeslunch (niet inbegrepen) en vraaggesprekken met reeds geïmmigreerden.

Het heeft eerder iets weg van de Israëlische propaganda voor de terugkeer naar het Heilige Land, als de vergelijking met de Joden dan toch moet blijven bestaan. Hoe meer Vlamingen in Brussel, zo lijkt de gedachte, hoe meer gerechtvaardigd de Vlaamse claim op het verloren stukje land. Brussel is de inzet van een venijnige machtsstrijd tussen Vlamingen en Walen en beide kampen zetten alle zeilen bij. Eind vorige maand nog hebben ze de naam veranderd van de Franstalige gemeenschap – een van de zeven overheden van het land – in Fédération Wallonie-Bruxelles.

De slag om Brussel is niet nieuw. Al sinds het begin van de vorige eeuw waarschuwen ze voor “de Vlaamse tirannie” en “de knechting van Brussel aan het Vlaamse imperialisme” (zie brusseleir.wordpress.com). Klinkt u dat beladen in de oren, vandaag wisselen de extremisten aan beide kanten schaamteloos WOII-beledigingen uit. “Maingain wil Anschluss Bxl bij Wallonië,” twitterde Filip Dewinter, de voorman van het Vlaams Belang, over die van het oude Front Démocratique des Francophones, een snob die de Vlaamse politiek in Brussel al eens vergeleek met die van de Duitse bezetter, en “gebruikt de methodes van Goebbels.” De vergelijking met de Joden is dan misschien ook niet zo gepast.

 

Benelux-leger

Het leger van Luxemburg is het enige dat ontsnapt aan de boze besparingen van tegenwoordig.

Het enige van de Benelux dan, want net als Nederland heeft ook België geen geld meer voor nieuwe F-16’s, mijnenjagers of rekruten. Er zouden zelfs tekorten van brandstof en munitie dreigen, volgens een vorige week gelekte brief van de bevelhebber aan de minister, die sinds een jaar of twee openlijk oorlog voeren.

Het Belgische leger is vandaag aanwezig in Afghanistan, Congo, Libanon, Libië, Oeganda en Soedan. Te veel werk met te (more…)

The Curious Case of Mr Nada

Or how the widespread use of blacklists undermines our fundamental rights.

(appeared on openDemocracy)

Campione d’Italia is something close to paradise. Rested on the shores of Lake Lugano, below the green slopes of the southern Alps, the tiny Italian tax haven commune within the Swiss canton of Ticino is a place of extraordinary natural beauty. But to Mr Youssef Moustafa Nada (80), one of its two thousand or so residents, it was more like something close to prison, after he was designated by the UN Security Council a terrorist banker. (more…)